Niet bedrijfsmatig: dan geen pacht

Sinds 2007 is in de wet geregeld dat de reguliere pachtovereenkomsten kunnen worden beëindigd indien de pachter het gepachte niet voor de uitoefening van de landbouw gebruikt.

Er is rechtspraak waarbij gekeken wordt naar de omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang. Van belang is ook de vraag of er geïnvesteerd wordt voor toekomstige winstkansen, het ondernemingsrendement en of de pachter een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft. Deze criteria geven nog steeds aanleiding tot discussie. Maar wanneer voldoet een pachter nog wel aan deze eisen? Deze vraag speelt vooral bij kleine ondernemers die al dan niet een baan buiten de landbouw ernaast hebben of ook activiteiten ontplooien die niet agrarisch van aard zijn zoals bijvoorbeeld een paardenpension.

Recent is er een uitspraak gedaan door de pachtkamer in Rotterdam. Het ging om een pachter die gepensioneerd was en AOW ontving en een bedrijf had met een omvang van circa 20 hectare grond. De ondernemer had naast rundvee en schapen en bijbehorende inkomsten, zoals agrarische subsidies, inkomsten uit de verhuur van een paardenpension. De agrarische inkomsten en de subsidies waren hoger dan de inkomsten uit het paardenpension. De pachter had jaarstukken overgelegd bij de pachtkamer. De bedrijfsopbrengsten waren bescheiden. De pachtkamer acht dat ook geen probleem naast het feit dat het toegestaan is om sober te leven. Verder was er nog ruimte om in beperkte mate te investeren. Er vond renovatie plaats aan bedrijfsopstallen en er was 2.75 hectare grond aangekocht. De pachtkamer oordeelde dat door uitbreiding van de veestapel en de verkoop van gras en hooi geleidelijk aan meer omzet was te genereren en de bedrijfsvoering een meer solide basis gaven.

Uit deze uitspraak maar ook uitspraken van het Pachthof kunnen enige conclusies worden getrokken. Hij, die serieuze agrarische activiteiten ontplooit, daar een bescheiden inkomen uit genereert en in beperkte mate investeert in zijn bedrijf en dat onderbouwt aan de hand van jaarcijfers en/of een bedrijfsplan, maakt een goede kans in een procedure waarin een verpachter de pacht opzegt of wil ontbinden, omdat er niet bedrijfsmatig zou worden gewerkt. Dat geldt zeker als een pachter geen hoofdfunctie heeft buiten de landbouw. Heeft iemand er namelijk een baan bij waarmee hij al in zijn levensonderhoud kan voorzien dan zou de weegschaal in twijfelgevallen door kunnen slaan in het voordeel van de verpachter die beëindiging van de pacht wil.

Voor meer informatie over dit artikel kunt u contact opnemen met:

Charles van Mierlo
GVK Adure Advocaten Zwolle
Tel.: 088 – 888 66 50
E-mail: jtamvanmierlo@gvk-advocaten.nl