Kan ik mij met succes beroepen op het vertrouwensbeginsel als er door ambtenaren is gesteld dat ik geen vergunning voor een activiteit nodig heb?

Dit blijft altijd een lastige zaak. Op de eerste plaats zal het een duidelijke schriftelijke verklaring moeten zijn, van een ambtenaar die hierover gaat. In principe zijn ambtenaren niet bevoegd om hier uitsluitsel over te geven. Dat is aan het College. Van belang is of de verklaring kan worden toegerekend aan het College. De verklaring  waar het om gaat staat blijkbaar in een gespreksverslag. Heeft het College het initiatief genomen voor dat gesprek? Is de mededeling duidelijk en zonder voorbehoud? Wordt er elders in de gemeente wel opgetreden of juist niet tegen dezelfde activiteit? Uit de vorenstaande vragen blijkt al dat het moeilijk is om met succes een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel. Er spelen nog meer factoren een rol: bijvoorbeeld als het gaat om het oprichten van een bouwwerk, is er dan al van tevoren gevraagd of hiervoor een vergunning nodig is? Als dat niet bewijsbaar, dus schriftelijk is gedaan wordt het ook lastiger om een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel. De conclusie luidt dus dat er slechts bij uitzondering met succes een beroep kan worden gedaan op het vertrouwensbeginsel in conflictsituaties met de overheid.