Veel vragen fosfaatrechten en pacht blijven onbeantwoord

Op 26 maart 2019 heeft het Pachthof te Arnhem geoordeeld, kort gezegd, dat de fosfaatrechten bij het einde van de pacht in beginsel voor de pachter zijn en dat slechts in bepaalde gevallen de verpachter aanspraak kan maken op fosfaatrechten. (ECLI:NL:GHARL:2019:2544) Zie ook onze eerdere artikelen hierover:

Aanspraak verpachter en de rechtvaardiging daarvan

De verpachter heeft alleen aanspraak op fosfaatrechten in het geval:

1) de verpachter langdurig bedrijfsmiddelen (d.i. grond en/of gebouwen) aan de pachter ter beschikking heeft gesteld die

2) voor het bedrijf van de pachter van overwegend belang zijn om het bedrijf te kunnen exploiteren.

De rechtvaardiging hiervoor bestaat uit drietal samenhangende redenen, zo zegt het hof in de uitspraak. Allereerst heeft de verpachter langdurig bedrijfsmiddelen aan de pachter ter beschikking gesteld waarop de pachter zijn bedrijfsvoering heeft kunnen baseren. Daarmee hebben die bedrijfsmiddelen in belangrijke mate bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de fosfaatrechten die aan de pachter zijn toegekend. Bovendien zijn de grond en/of gebouwen na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert.

Met betrekking tot die laatste reden rijzen de nodige vragen. Stel je voor: een langdurige pachtrelatie komt ten einde en de verpachter maakt aanspraak op fosfaatrechten. De pachter geeft daaraan gehoor en laat een deel van zijn fosfaatrechten achter. Wat nu als vervolgens blijkt dat de verpachter die fosfaatrechten verkoopt? Bijvoorbeeld, omdat het pachtobject niet langer ten behoeve van de melkveehouderij zal worden aangewend, maar ten behoeve van bijvoorbeeld akkerbouw of geiten. Of sterker nog: dat het pachtobject niet langer agrarisch zal worden gebruikt maar plaats moet maken voor woningbouw.

En wat nu als de verpachter de fosfaatrechten aanwendt ten behoeve van een ander pachtobject dan het object in verband waarmee die fosfaatrechten tot stand zijn gekomen?

In elk van deze gevallen wordt niet voldaan aan één van de achterliggende gedachten, namelijk dat een deel van de fosfaatrechten achtergelaten moet worden, omdat de grond en/of gebouwen anders potentieel minder goed te exploiteren is. Ons inziens valt te bepleiten dat in zo’n geval de verpachter geen aanspraak op de fosfaatrechten kan maken, en anders dan toch in ieder geval een kleiner deel dan waar het hof in de uitspraak van 26 maart 2019 van uit gaat. 

Melkquotum

Hoewel het voormalige stelsel van melkquotum en het huidige fosfaatrechtenstelsel niet hetzelfde zijn (zo overweegt ook het hof in de uitspraak van 26 maart 2019), is op bepaalde punten een vergelijking denkbaar. Zo ook ten aanzien van de vraag wat de aanspraken van een verpachter zijn als duidelijk is dat het gepachte aan de landbouw wordt onttrokken. Jurisprudentieonderzoek op dit gebied levert weinig resultaten op. Interessant is evenwel een uitspraak van de pachtkamer van de rechtbank Leeuwarden d.d. 27 januari 2005[1] in een zaak tussen een boer en de gemeente Heerenveen. In die uitspraak overwoog de pachtkamer (overigens ten overvloede) dat op grond van de geldende Europese Verordening melkquotum overgedragen moet worden tussen melkproducenten. Daarbij werd verwezen naar het zogenaamde Thomsen-arrest van het Hof van Justitie d.d. 20 juni 2002[2]. In dat arrest is door de Europese rechter beslist dat bij het verstrijken van een pachtovereenkomst betreffende een melkbedrijf, de daaraan verbonden referentiehoeveelheid (het melkquotum) in beginsel slechts geheel of gedeeltelijk aan de verpachter kan toekomen wanneer hij, kort gezegd, producent van melk of zuivelproducten is.

Als de verpachter géén producent is van melk of zuivelproducten, dan mag hij het quotum slechts voorlopig verwerven, voor zover dat noodzakelijk is om het quotum aan een nieuwe pachter, zijnde wél producent, over te dragen. Dit bezit moet zo kort mogelijk duren, dus de verpachter moet het quotum zo snel mogelijk weer overdragen aan een derde die wel producent is (bijvoorbeeld een nieuwe pachter). In het geval van de zaak bij de rechtbank Leeuwarden was dat niet het geval. Vaststond dat de gemeente Heerenveen de grond heeft willen kopen in verband met de verwezenlijking van een bestemmingsplan en met het oogmerk het land te gebruiken voor woningbouw. De gemeente was niet van plan om de grond opnieuw te verpachten ten behoeve van de melkveehouderij. Overdracht van het melkquotum aan de gemeente zou onder deze omstandigheden in strijd komen met het hoofddoel van de Europese verordening, namelijk verhinderen dat melkquotum wordt toegekend aan personen die daaruit louter een financieel voordeel willen halen.

Kort samengevat: melkquotum was bedoeld ter begrenzing van de melkproductie en moest ook als zodanig worden aangewend. Melkquotum diende zoveel mogelijk in handen te zijn van melkproducenten. Het melkquotum is niet bedoeld om daar louter financieel voordeel mee te behalen.

Hoewel het stelsel van fosfaatrechten geen Europeesrechtelijke regeling is zoals het melkquotum, geldt daar hetzelfde. Fosfaatrechten zijn niet bedoeld als speculatieobject. De Minister heeft, in antwoord op Kamervragen over fosfaatrechten, aangegeven dat het van groot belang is dat het fosfaatrechtenstelsel eerlijk en transparant functioneert. Speculatie met voor melkveehouders noodzakelijke productierechten, om een financieel gewin te behalen zonder dat dit bijdraagt aan de ontwikkeling van de melkveehouderij, past hier niet in, zo schrijft de Minister in een brief van 2 mei 2018[3]. Mede om die reden is het bezit van fosfaatrechten wettelijk ingeperkt tot landbouwondernemingen. In antwoord op de vraag van het Kamerlid Lodders of de Minister fosfaatrechten beschouwt als financieel product of zelfs als beleggingsproduct, schreef de Minister het volgende:

“Ik beschouw de fosfaatrechten, evenals bijvoorbeeld de pluimveerechten en de varkensrechten, als productierechten. Het gaat hier immers om het recht dat ondernemers nodig hebben om respectievelijk melkvee, pluimvee en varkens te mogen houden. Wel is het zo dat fosfaatrechten in de markt een waarde toegekend krijgen, dit is inherent aan de verhandelbaarheid.”[4]

Kortom, fosfaatrechten zijn bedoeld om te worden gebruikt door hen die belang hebben bij de fosfaatrechten als zodanig en niet door hen die enkel belang hebben bij de economische waarde daarvan.

Het bovenstaande vormt reden te meer om niet te hoeven afrekenen in het geval van einde pacht wanneer de verpachter aanspraak maakt op de fosfaatrechten terwijl het niet de bedoeling is om het pachtobject opnieuw voor de melkveehouderij aan te wenden.

Wil om het object opnieuw in gebruik te geven t.b.v. melkveehouderij wel of niet aanwezig?

Het is mogelijk dat op het moment dat de pacht eindigt duidelijk is dat het pachtobject niet langer voor de melkveehouderij zal worden aangewend. Het ligt dan voor de hand dat de pachter reeds op dat moment bezwaar maakt tegen de aanspraak van de verpachter op de fosfaatrechten. We kunnen ons voorstellen dat, wanneer sprake is van een procedure tot pachtbeëindiging, de wil van verpachter om het object opnieuw in pacht uit te geven ten behoeve van de melkveehouderij in ieder geval aan de orde moet komen.

Het kan zijn dat pas achteraf kan worden vastgesteld dat de wil om het pachtobject opnieuw ten behoeve van de melkveehouderij in pacht uit te geven, ontbreekt, vergelijkbaar met het geval waarin de pachtovereenkomst is opgezegd door de verpachter in verband met voorgenomen eigen gebruik of bestemmingswijziging en die wil in werkelijkheid niet aanwezig is geweest (daarvoor is een wettelijke regeling getroffen in artikel 7:373 BW). Voorstelbaar is dat de pachter zich dan alsnog verzet tegen de aanspraak van de verpachter op de fosfaatrechten, waarbij hij een vordering tot terugbetaling van de waarde van de fosfaatrechten dan wel tot terug levering van de achtergelaten fosfaatrechten kan instellen. Dit zal dan wel binnen afzienbare tijd na einde pacht moeten plaatsvinden.

Pachter wordt eigenaar

Tot slot is denkbaar dat de regulier pachter gebruikmaakt van zijn voorkeursrecht van koop en daarmee eigenaar wordt van het object dat hij voorheen pachtte. Hij blijft melkveehouder. Hoe dan om te gaan met de afrekenverplichting? In dat geval verandert er niets aan de exploitatiemogelijkheden van het pachtobject. Waarom zou dan moeten worden afgerekend met de verpachter? In het geval van melkquotum werd, indien gebruik werd gemaakt van het voorkeursrecht van koop, afgerekend conform de verdeling 25/75% waarbij het meerdere toekwam aan de pachter, zo blijkt uit jurisprudentie.[5]

Conclusie

Het Pachthof heeft in zijn arrest van 26 maart 2019 antwoord gegeven op diverse vragen, maar tegelijkertijd roept het gewezen arrest weer nieuwe vragen op. In de komende jaren zal daar in jurisprudentie antwoord op moeten worden gegeven.

Meer weten? Neem dan contact op met onze vestiging te Zwolle.


[1] ECLI:NL:RBLEE:2005:AS4194.

[2] HvJ EG 20 juni 2002, C-401/99, Jur EG blz. I-05775.

[3] Kamerstukken II, 2017/18, 2025, p.1.

[4] Kamerstukken II, 2017/18, 2025, p.2.

[5] Gerechtshof Arnhem 20 juli 1992, Agr.r. 1992/4581 (Tromp/Folkertsma). Zie ook Asser/Snijders & Valk 7-III 2016/587.